Hervormde patrimoniumtaks: Grondwettelijk Hof vernietigt gunstregime voor bepaalde sectoren

In onze blog van 11 maart 2024 gingen we reeds in op de hervorming van de patrimoniumtaks en de gevolgen daarvan voor (internationale) verenigingen en private stichtingen. Deze ‘taks tot vergoeding der successierechten’ werd ingevoerd in 1921 om te voorkomen dat financiële middelen te lang inactief bleven en niet bijdroegen aan economische groei of sociale vooruitgang.
Eind 2023 besloot de wetgever de patrimoniumtaks te moderniseren, waardoor vanaf 1 januari 2024 het toepassingsgebied, de belastbare grondslag en het tarief werden gewijzigd.
Het tarief werd progressief (0,15% - 0,30% - 0,45%) gemaakt maar dat nieuwe progressieve tarief werd afgezwakt (vermindering van de belastbare grondslag met 62,3%) voor bepaalde belastingplichtigen uit bepaalde sectoren (de zorgsector, de cultuursector, de sportsector, de onderwijssector, erkende maatwerkbedrijven, medische huizen, erkende geïntegreerde gezondheidsverenigingen en wijkgezondheidscentra, erkende dierenasielen en erkende centra voor private archieven).
De belastingplichtige verenigingen en private stichtingen die niet onder het toepassingsgebied van de gedeeltelijke vrijstelling vallen, zagen de patrimoniumtaks aanzienlijk stijgen ten opzichte van de periode voor de hervorming van de taks toen het vlakke tarief van 0,17% gold.
Een aantal van hen trok naar het Grondwettelijk Hof en vorderde de vernietiging van de nieuwe bepalingen, op grond van het arbitraire onderscheid tussen wie wel en wie niet onder het gunsttarief valt.
In haar arrest van 4 december 2025 volgt het Grondwettelijk Hof de verzoekende partijen grotendeels.[1]

Schending van het gelijkheidsbeginsel

De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen discriminerend zijn, in zoverre enkel de rechtspersonen uit bepaalde sectoren de vermindering van 62,3% van de belastbare grondslag genieten.
Het Grondwettelijk Hof beklemtoont eerst en vooral dat de wetgever redelijk moet kunnen verantwoorden waarom bepaalde belastingplichtigen kunnen genieten van de uitzondering en andere niet. Als dat verschil in behandeling niet voldoende gemotiveerd wordt, dan is er sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
De wetgever voert verschillende redenen aan voor de vermindering van de belastbare grondslag in bepaalde sectoren. Wat betreft de zorgsector, waar verenigingen en stichtingen vaak met dure infrastructuur en apparatuur werken, streefde de wetgever ernaar om te vermijden dat de toegang tot de zorgverlening duurder zou worden. Wat betreft de sport- en cultuursector argumenteerde de wetgever dat hij een vestzak-broekzakoperatie wilde vermijden, waarbij aan aanbodzijde de fiscale lasten worden verhoogd en aan vraagzijde de sectoren verder ondersteund moeten worden met sport- en cultuurcheques. Voor de andere geprivilegieerde sectoren worden door de wetgever gelijkaardige redeneringen naar voor gebracht.
De verschillende redenen die worden aangehaald, worden door het Grondwettelijk Hof onvoldoende geacht. Hoewel ze op zich legitiem zijn, zijn ze volgens het Hof te ruim geformuleerd en per analogie even goed van toepassing op andere belastingplichtigen die in de hervorming niet onder het gunstregime vallen.
Het Hof oordeelt dat er op grond van de aangevoerde redenen geen relevant verschil kan worden aangetoond tussen de bevoordeelde sectoren en andere vergelijkbare belastingplichtigen. Aan andere belastingplichtigen werd dus op onrechtmatige wijze een voordeel ontzegd. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Gevolgen

Het Grondwettelijk Hof vernietigt de bepaling die voorziet in een vermindering van 62,3% van de belastbare grondslag voor bepaalde sectoren (artikel 15, 2°, b, van de wet van 28 december 2023). Om te vermijden dat die categorieën belastingplichtigen met terugwerkende kracht geconfronteerd worden met een onvoorziene fiscale last, handhaaft het Hof de gevolgen van de wet tot uiterlijk 31 december 2026.
Dat betekent dat deze belastingplichtigen tot dan kunnen genieten van de gedeeltelijke vrijstelling.
De vraag rijst nu wat de wetgever zal doen. De wetgever kan ervoor kiezen om een uitgebreidere dan wel een meer beperkte gunstregeling uit te werken (bijv. beperkt tot de zorgsector). Welke optie ook wordt genomen, de gekozen piste zal de grondwettelijke toetsing moeten doorstaan. De wetgever kan er ook voor kiezen om niets te doen. In dit laatste geval zal vanaf 1 januari 2027 geen enkele vereniging of private stichting nog gebruik kunnen maken van het gunstregime. Voorts zij eraan herinnerd dat de federale regering volgens haar regeerakkoord (2024–2029) reeds het voornemen had om de non-profitfiscaliteit te herzien. Het blijft dus voorlopig afwachten welke richting zal worden ingeslagen.

***
 
Heeft u hierover vragen, neem dan contact op met:
Sarah Verschaeve, partner (sarah.verschaeve@aurionlaw.be)
Celie Huybens, associate (celie.huybens@aurionlaw.be)
Simon Van Eekert, associate (simon.vaneekert@aurionlaw.be)

[1] Arrest van het Grondwettelijk Hof van 4 december 2025 (nr. 159/2025); Persbericht Grondwettelijk Hof over het Arrest nr. 159/2025 van 4 december 2025.

 

Céline Vanneste